Brief 22 | Wie is de eerste?

posted in: Uncategorized | 0

Drempelgebed
Hier ben ik, hier woon ik, hier
in uw naam, in vier heilige letters
heb ik een dak boven mijn hoofd

zoals een wandelaar aan de rivier
thuiskomt in het gakken van de
ganzen
zo ben ik hier, beloofd is beloofd.

Op dat moment
komen de leerlingen bij Jezus
en zeggen:
wie is toch de grootste
in het koninkrijk der hemelen?
Hij roept een kindje bij zich,
laat dat midden tussen hen in staan
en zegt:
waarachtig, ik zeg jullie:
als je je niet omkeert
en wordt als de kindjes
zult je het rijk waar God koning is
echt niet binnenkomen!
Wie zich zo kwetsbaar en afhankelijk weet
als dit kindje,
die is de grootste
in het koninkrijk der hemelen!
En wie één zo’n kindje vanwege mij
zal ontvangen, ontvangt mij.
Maar wie één van deze kleinen
die fiducie/vertrouwen in mij hebben
zal laten struikelen over een steen,
die steen zal voor hem een molensteen worden
die om zijn hals gehangen wordt
en hij wordt afgezonken
in de diepte van de zee!
Wee de wereldorde zoals die is
vanwege de struikelblokken!-
die zijn er altijd!
Maar o wee de mens die
zelf tot struikelblok is!

Ik zie het nog scherp voor mij en ik hoor de schelle kinderstemmetjes weer. 1976. Ik woon in zo’n typisch nieuwbouwhuis met schutting, schuurtje en gazonnetje en daarachter zo’n tegelpaadje voor de fietsers. Mijn zoon van drie heeft een driehoeksverhouding met een jongetje van drie en een meisje van drie uit de straat. Zij trianguleren de hele dag. De ene keer wordt de een buitengesloten door de andere twee en weer heen en terug. Deze keer is mijn zoon de klos. Drie paar driftige kinderbeentje bewegen in het gangetje voor fietsers de drie kleintjes op hun plastic loopfietsje voort. Ze doen wie het hardste kan. Er worden gevaarlijke snelheden bereikt. Mijn lieve zoontje is aan de winnende hand. Dan hoor ik vanuit de tweede positie het andere jongetje
woedend roepen: Ik ben lekker ouder dan jij! Tot mijn ontzetting hoor ik vanuit de eerste positie mijn lieve kleine krijsen: Dan ben jij lekker eerder dood dan ik!


Wordt als de kindjes. Ja,ja.
Jezus reageert op de vraag van zijn vrienden: Wie van ons zal de eerste zijn in het rijk waar God koning is? Wie van ons zal de eerste, de beste zijn; dat is toch een mooie vraag? Dat je ambitie hebt, zeker als het om het koninkrijk van God gaat en jouw plaats daarin? Wat is daar tegen? Dat kindje dat Jezus in het midden plaatst is echt geen heilige, het is een mens zoals wij allen, maar dan in zakformaat. Graag vooraan, de beste willen zijn. Dat begint al bij een racewedstrijd op loopfietsjes klein genoeg voor driejarige beentjes.

Er lijkt mij – ook in het rijk waar God koning is – geen enkel bezwaar tegen ambities zonder meer. Wel kun je dit verhaalt leggen naast onze cultuur, waar mensen op steeds jongere leeftijd klachten van overspanning krijgen. Nu worden die symptomen al geconstateerd bij 15 jarigen. Wat de oorzaak daarvan zou zijn, weet ik niet, maar het lijkt mij niet toevallig dat deze cijfers zichtbaar worden in een tijd waarin hoge opleiding, een glanzende carrière, ervaring opdoen in het buitenland, een strak lijf en een eigen huis hebben voor je dertigste, bijna voorwaarde voor goed leven lijken te zijn. Doodvermoeiend. In het bereik van het koninkrijk van God begint de week niet met ambitie maar met 1 dag vakantie, leeg, geen agenda, tot jezelf en elkaar komen.


Het kind dat hij in hun midden plaatst is echt een kleintje, maak ik op uit de brontekst. Ik denk aan een peuter die nog wankel op z’n beentjes staat met een dikke achterste van de luier. Wat is er met die kleintjes? Zij hebben vertrouwen. Je kunt ook zeggen: ze zijn argeloos en daarom zo kwetsbaar. Aan hen kun je de conditie van alle mensen, ook de groten, zien. Eigenlijk zouden we in alle grote mensen, al doen ze nog zo flink en al hebben ze nog zo’n grote bek, dat kleintje op die wankele beentjes moeten zien. Eigenlijk zouden we elke dag dat kleintje in onszelf op schoot moeten nemen, het eens goed aankijken en het in onze armen sluiten. Ach kind toch, wat een
verdriet. Kom maar hier. Ik ben nu groot, ik wil je troosten. Ach lieverd, wat een vrolijkheid en wat een levenslust. Die wil ik met je delen.

Dat kleintje staat zo wankel op de beentjes dat het ieder moment kan vallen. En fout gaat het zeker als je dat kind een struikelblok in de de weg legt: een traphekje open laat staan, vergeet een dopje op een flesje gif te doen, een seconde te lang achterom kijkt als het kleintje op de commode ligt. Bijna allemaal hebben we zoiets wel eens meegemaakt, soms met onszelf als hoofdschuldige, al waren we dat per ongeluk. Je sterft duizend doden.

Als je nou zo graag de grootste wilt zijn, dan heb je wél een enorme verantwoordelijkheid; voortdurend alert te zijn op de zwakste schakel, op de kleintjes die met die grote ogen je vol vertrouwen aankijken en zeker weten dat jij voor hen zorgen zult; met die grote ogen die nog zacht zijn en kwetsbaar. Groot ben je als je die verantwoordelijkheid neemt. Zulke kleintjes kunnen ook volwassen mensen zijn, of hele oude.

Deze wereld is vol van gevaren voor de kwetsbaren, voor de mensen die afhankelijk zijn van andere mensen en landen met invloed, zij die het verschil kunnen maken, de mensen met het geld en de middelen. Struikelblokken zijn er nou eenmaal altijd. Zo is het leven. Maar als jij zelf voor zo iemand die wankel op z’n benen staat zo’n struikelblok bent………
Dat is niet best, zegt Jezus. Je kunt ook andere keuzes maken. Je kunt ze opnemen in je midden. En als je hen opneemt, dan neem je mijzelf in je midden op.

In de ogen van die afhankelijke ander zien wij de ogen van de Messias. Dat kind in ons, dat open staat naar alles, is dat er nog? Etty Hillesum, geboren als Joodse Nederlandse; ze wist niet eens dat ze Joods was, anderen gingen
haar later zo zien. Iets met Blut und Boden. Weer later werd ze gezien als vreemdeling die onze banen in pikt, nog later als ongewenst. Zij werd afgevoerd en vergast, samen met haar familie. Zij heeft de dertig jaar niet gehaald. Als ik haar dagboeken lees, dan denk ik: dát wordt er misschien wel bedoeld met ‘worden als de kinderen’, dat je – door volwassenheid heen – komt tot een tweede naïviteit, laten we maar zeggen dat je dan een oud kind wordt. Sommige mensen worden zo geboren.

In haar dagboek schrijft zij midden in dreiging en angst, in 1942, waarschijnlijk met het beeld van
het gebombardeerde Rotterdam voor ogen:

Ik zag als in een visioen steden kapot gegooid. Ik zag steden verzinken en en nieuwe herrijzen en ik dacht:
bombarderen jullie deze wereld maar kapot, wij zullen een nieuwe wereld bouwen en ook die zal weer vergaan en toch is het leven mooi, altijd weer opnieuw. Betekent dat dan dat ik nooit verdrietig ben? Nee, natuurlijk niet. Ik blijf alleen nooit aan zo’n moment hangen, ik blijf het niet vasthouden. Die momenten gaan door me heen, zoals het hele leven als een brede eeuwige stroom door mij heen gaat. Toen ik dat las, moest ik denken aan kinderen die zich helemaal overgeven aan verdriet en daarna hun tranen drogen om naar buiten te rennen, het goede leven in.

Dat kind in ons, is dat er nog?
Al het verdriet – ook het hele grote – dat je overkomt, moet je onderdak verlenen, je moet het dragen. Je kunt je
eronder laten verpletteren en je zult ook weer opstaan. Een mens is zó sterk. Het verdriet moet als het ware
een bestanddeel van jezelf worden, je hoeft er niet voor weg te lopen. Draag het als een volwassen mens. Reageer je gevoelens niet af in haat dat zich wreken wil op iemand anders die net als jij ook verdriet te dragen
heeft. Dat verdriet moet je in jezelf alle ruimte geven, de ruimte die het toekomt. Op die manier zal het
verdriet in de wereld misschien verminderen, als iedereen draagt, eerlijk en volwassen draagt, wat hem wordt
opgelegd. Maar als je het verdriet niet het eerlijke onderdak verleent, maar de meeste ruimte openstelt voor
haat en wraakgedachten waaruit weer niet verdriet voor anderen geboren zal worden, ja, dan neemt het
verdriet nooit een einde in deze wereld en zal het steeds vermeerderen. En als je het verdriet de ruimte en
plaats geeft die het krachtens zijn nobele geboorte toekomt, ja, dan mag je toch zeggen: het leven is zo schoon
en zo rijk! Het is zo, dat je in God zou kunnen geloven.

Met een grote buiging naar deze grote kleine,
Willemien Keuning